Grafschrift van een soldaat van VII Claudia (Archeologisch Museum, Split)
Met het Achtste, Negende en Tiende legioen behoorde het Zevende tot de oudste eenheden van het Romeinse leger uit de keizertijd. Deze vier eenheden waren al bij Julius Caesar toen die in 58 v.Chr. Gallië binnenvielen en moeten al vóór zijn gouverneurschap zijn samengesteld. De Romeinse commandant vermeldt het Zevende in zijn verslag over het jaar 57: het nam deel aan het gevecht tegen de Nerviërs aan de rivier de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk.
Later lijkt het Zevende te hebben gevochten in westelijk Gallië; het was aanwezig bij de campagne tegen de Veneten in wat nu Bretagne heet, en nam deel aan de twee expedities naar Brittannië (in 55 en 54). Tijdens de oorlog tegen Vercingetorix was het Zevende actief in de omgeving van Lutetia (52) en bij Alesia. Het was later betrokken bij de “veegoperaties” tegen de Bellovaci (51).
De splitsing van de Sava (van links naar rechts) en de Donau incl. ‘veliko ratno ostrovo’ (rechts) met aan de overkant Novi Beograd, kijkend richting Surčin en gezien vanaf het fort Kalemegdan.
[Laatste deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier en het tweede daar.]
De Donau als paradijselijke rivier: Belgrado en Konstantinopel
Volgens andere legendes is de Donau (zoals de Tigris, Eufraat en Indus) één van de vier rivieren die ontspringen in het paradijs, zodat Belgrado met zijn wallen op een oude plek ligt, omspoeld door een van de hemelse rivieren. Aleksandar Diglič schrijft in Belgrade, The Eternal City het volgende:
Een persoon die bezeten is van fantasie, en er zijn genoeg van zulke types in Belgrado, vertelde mij dat een walnoot die vanuit Belgrado in de Donau wordt gegooid, er negen dagen over zou doen om naar Konstantinopel te drijven. Of dit nu waar is of niet, de waarheid is dat deze twee steden een sentimentele, eeuwenoude relatie hebben die nooit zal worden beëindigd.
De oude binnenstad van Belgrado (Stari Grad) vanaf het fort Kalemegdan gezien, staand bovenop de klif Kauliakos; de rivier de Sava bevindt zich rechts; ver weg is de Avala (met de toren, de Avala Toranj en zendmast daarop) zichtbaar.
[Tweede deel van een gastblog van Tim Frangias over Belgrado. Het eerste deel vond u hier.]
Belgrado bij Apollonios Rhodios
Belangrijke momenten in het Argonauten-verhaal spelen zich af in wat de periferie van de “klassieke wereld” genoemd zou kunnen worden, terwijl het verhaal notabene verteld wordt door een auteur uit het klassiek literaire canon. De tocht van de helden over de Donau brengt hen in wat tegenwoordig (onder andere) Servië beslaat, een uithoek van de “klassieke” wereld van de oudheid. De Istros, de Donau, is één van de vele plaatsen waar de Argonauten langs komen, maar tegelijkertijd cruciaal als het gaat om het beschrijven van de topografische plaats die vandaag Belgrado is.
Nadat de Argonauten zich meester hadden gemaakt van het Gulden Vlies zeilden zij, op de vlucht voor de Kolchiërs, op hun terugreis naar Hellas de rivier de Istros (of: Donau) op. In het vierde boek van de Argonautika lezen we de volgende verzen:
De oudste opgetekende beschrijving van wat nu de stad Београд, Beograd (Belgrado) is, vinden we bij de Griekse dichter Apollonios Rhodios, van wiens hand wij de Argonautika (in vier boeken) over hebben, een heldenepos dat deze dichter tussen 270 en 245 v.Chr. schreef. In deze bijdrage wijs ik de betreffende passage aan als onderdeel van een bespiegeling over Belgrado, een stad die mij om inmiddels haast ontelbare redenen zeer dierbaar is. De Argonautika gaat over het verhaal van Iason en de Argonauten (een groep van vijftig mythische zeelieden, waaronder Herakles en Orfeus) die op een missie waren naar Kolchis om het Gulden Vlies te bemachtigen, én over de liefde tussen Iason en Medea. Het Gulden Vlies was de gouden vacht van de god Xrysomallos, de ram die de kinderen van koning Athamas, Prixos en Hellen, wegvoerde om hen te redden uit handen van Athamas en zijn vrouw Ino. Het Gulden Vlies zou magische krachten (zoals genezing en de mogelijkheid tot eeuwige verjonging) herbergen…
De missie van de helden van de Argo
Na vele avonturen landde Iason in Kolchis en vroeg Iason aan Aeëtes toestemming het Gulden Vlies te mogen meenemen. Aeëtes weigerde dit niet met zoveel woorden, maar eiste dat Iason eerst een stuk land zou beploegen met behulp van twee bronzen stieren die hij van niemand minder dan de vuurgod Hephaistos gekregen had. Deze dieren hadden nog nooit een juk kunnen dragen, want briezend ademden zij vuur uit. Na het ploegen moest Iason draketanden zaaien die nog stamden van de oude draak van Thebe (Kadmos). Met de reuzen die uit dit zaaisel zouden ontstaan, moest Iason tenslotte een strijd op leven en dood leveren.
In zijn eentje zou hij deze taken nooit volbracht hebben. Maar omdat Afrodite (de godin van de liefde en schoonheid) Medea, de prinses van Kolchis, reddeloos verliefd had gemaakt op Iason, had deze verliefde (en zoals later blijkt ook wraakzuchtige) tovenares zich bij de Argonauten aangesloten en hielp hen het Gulden Vlies te bemachtigen en te ontsnappen. Medea had Iason laten beloven haar te trouwen en naar Griekenland mee te nemen als zij hem zou helpen het vlies te bemachtigen, en gaf hem een toverbalsem die hem onkwetsbaar zou maken voor het brons en het vuur van de stieren. Tevens gaf zij hem de raad de reuzen tegen elkaar op te hitsen door een steen in hun midden te werpen. In de daardoor ontstane verwarring zou hij hen kunnen doden.
Iason volgde de raad op, smeerde zich in en volbracht de hem opgelegde taken. Aeëtes wilde het vlies echter niet geven en smeedde het plan om de Argo in brand te steken. Om dit te verijdelen bewoog Medea de helden in de nacht te vluchten, nadat zij en Iason zich van het vlies meester hadden kunnen maken doordat Medea met haar tovermiddelen de draak die het vlies bewaakte in slaap had doen vallen. Medea’s vader Aeëtes, de koning van Kolchis (thans: de Krim), was woedend over Medea’s verraad en had de achtervolging ingezet nadat Medea aan boord van de Argo was gegaan, terwijl ze haar broertje Apsyrthos mee had genomen. Terwijl Medea’s vader de Argo op de hielen zat doodde Medea Apsyrthos en wierp – om haar vader te vertragen – zijn ledematen bij tussenpozen in het water. Aeëtes verloor kostbare tijd door de ledematen bijeen te garen, waardoor hij de Argo niet meer kon inhalen. In verschillende richtingen zond hij nu gewapende mannen uit met de opdracht zijn dochter Medea levend naar Kolchis terug te brengen.
De Argonauten richting de Balkan
Zelf begaf de koning zich naar Tomi (thans het Roemeense Constantza aan de Zwarte Zee (let in de context van het verhaal op het Griekse woord τόμοι = stukken), waar hij de resten van Apsyrtos begroef. Een andere lezing van de dood van Apsyrtos is dat hij, door zijn vader ter achtervolging van de Argo uitgestuurd, door Iason in de tempel van Artemis bij de monding van de Istros ( thans de Donau) gedood werd. En zo brengt de Griekse mythe ons in de wereld van de Balkan en naar Belgrado .
[Een gastbijdrage over Belgrado van Tim Frangias. Zo meteen meer. Dank je wel Tim! Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.]
Overmorgen zijn de Europese verkiezingen en met het oog daarop blog ik deze week over de Europese canon. Vandaag vijf onderwerpen vol geweld, met ergens op de achtergrond de doorbraak van het modernisme. De Eerste Wereldoorlog werd gewonnen door de partijen die het meeste innoveerden, en vernieuwing werd het toverwoord van de twintigste eeuw.
De instorting van het Europese systeem
Periode: 1911-1922
Alternatieven: Eerste Wereldoorlog, Vrede van Versailles
Tussen de Europese mogendheden waren altijd fricties en spanningen, maar zolang er koloniën te verdelen waren, was er een bliksemafleider. Toen het verkeerd begon te gaan, was dat dan ook op het laatste stukje wereld dat nog niet was verdeeld: op de Balkan. Het Ottomaanse Rijk was verzwakt, Italië viel het aan in Libië (1911) en in het jaar erop vielen ook Servië, Montenegro, Griekenland en Bulgarije aan. Dat was de Eerste Balkanoorlog. Die duurde bijna acht maanden; de Ottomanen verloren vrijwel al hun Europese bezittingen. De vrede duurde één maand. Toen brak de Tweede Balkanoorlog uit, waarin Servië, Montenegro, Griekenland en het Ottomaanse Rijk zich keerden tegen Bulgarije.
In deze vierde aflevering van mijn reeks over de Europese canon belandden we in de tijd die we, afhankelijke van het gekozen perspectief, kunnen aanduiden als het herfsttij der Middeleeuwen of de vroege Renaissance.
Scholastiek
Periode: Late Middeleeuwen
De filosofie van de Late Oudheid, waarin het christendom zijn boodschap moest uitdrukken, staat bekend als het Neoplatonisme. Ook in de Arabische wereld was deze stroming lange tijd dominant, maar gaandeweg ontdekte men het belang van Aristoteles.
Europa volgde. Aanvankelijk was men sceptisch over het aristoteliaanse denken, maar in de dertiende eeuw wist Thomas van Aquino, profiterend van de vertalingen van Willem van Moerbeke, de christelijke theologie uit te leggen in de termen van Aristoteles’ filosofie. Daarmee was hij de grote representant van de laatmiddeleeuwse filosofie, de scholastiek. Zo werd Aristoteles in heel Europa de “meester van alle wijzen”, zoals Dante hem typeert. In de Arabische wereld bleef Aristoteles’ populariteit daarentegen beperkt; de commentaren van Ibn Rushd waren invloedrijker in Latijnse vertaling dan in het Arabische origineel.
De Zon van Vergina, verondersteld dynastiek symbool van Macedonië (Archeologisch Museum, Thessaloniki)
Een geschiedenis van Macedonië na Alexander de Grote begint met de dynastie die er tot 168 v.Chr. de scepter zwaaide: de Antigoniden, waarover ik het al eens heb gehad en die ik nu oversla. De Romeinen veroverden het gebied, splitsten het eerst in vieren en annexeerden het kort daarna definitief. In 146 volgden de verwoesting van Korinthe en de inlijving van Griekenland. Het zuidelijke Balkanschiereiland was zo deel geworden van de Romeinse wereld. En zoals overal was dat de wereld waarin de Griekse cultuur zich verspreidde.
De verdwenen taal
Hadden de Macedoniërs in de tijd van Filippos en Alexander nog Macedonisch gesproken naast het Noordwest-Grieks, in de Romeinse tijd helleniseerden ze helemaal. De weinige resterende sporen van het Macedonisch kennen we uit Griekse woordenboeken uit de keizertijd: woorden als sarissa (lans), abagna (roos) en peliganes (raad van ouden) zijn wel Indo-Europees maar niet Grieks. Die woordenboeken waren nodig omdat het Macedonisch inmiddels voor Grieken nog onbegrijpelijker was dan in de vierde eeuw, toen al tolken nodig waren.
Prachtig hè, dit mozaïek. Ik fotografeerde het in het museum in Kyrene in noordoostelijk Libië. Kijk eens hoe mooi het paard is en hoe schattig de hond. Het is een en al actie: de jager galoppeert naar huis, de deur staat al open, de boom strekt zich verwelkomend naar hem uit. De moedertijger heeft echter de achtervolging ingezet om de jachtbuit, haar jong, terug te krijgen. De plant tussen haar en de jager buigt naar links en voegt toe aan de dynamiek.
Vraag één: wat is dit van dier? Gestreept, dus een tijgerin. Maar tijgers komen niet voor in Afrika. Bovendien is dit dier grauw en zijn tijgers geelbruin. Luipaarden kwamen wel voor in Libië, maar die hebben een gevlekte huid en zijn ook al niet grauw. Ik houd het tot nader order op een tijgerin, maar voor wie verstand heeft van katachtigen staan de reageerpanelen open.
Ik heb al geblogd over de Aoos, Elbe, Eufraat, Rijn en Tigris, dus laten we het nu eens hebben over de Donau. De Romeinen noemden de hele stroom Danubius, de Grieken gebruikten die naam alleen voor het westelijke deel. De benedenloop kenden ze als Ister. De mooie blauwe rivier ontspringt in het Zwarte Woud en mondt uit in de Zwarte Zee. Met een lengte van ongeveer 2860 kilometer is de rivier ongeveer even lang las de Eufraat. In Europa is alleen de Wolga langer. De antieke auteurs meenden dat, afgezien van de halflegendarische rivieren van India, alleen de Nijl groter was dan de Donau. Dat is nog niet zo gek gezien.
Onder de vele zijrivieren van de Donau – Plinius de Oudere kende er niet minder dan zestig – zijn de Iller, de Lech, de Altmühl, de Naab, de Regen, de Isar, de Ilz, de Inn, de Traun, de Enns, de Morava, de Leitha, de Rába, de Váh, de Drava, de Tisza, de Sava, de Olt, de Siret en de Prut. Dat is nogal wat, maar de rivier is dus lang en stroomt door Duitsland, Oostenrijk, Slowakije, Hongarije, Kroatië, Servië, Roemenië, Bulgarije en schampt zelfs even aan Moldavië en Oekraïne.
De Britse moslim, reiziger en journalist Tharik Hussain beschrijft in Minarets in the Mountains. A journey into Moslim Europe (Chesham, 2021) zijn ontmoetingen met moslimgemeenschappen in de Balkan. Zijn vrouw en zijn twee tienerdochters reizen mee. Die zijn niet zo geïnteresseerd in Ottomaanse architectuur en doen met hun moeder vaak andere dingen. De reis begint in Sarajevo waar hij ook weer zal eindigen. Het gezin bereist alle Balkanlanden, van Bosnië-Herzegovina tot Albanië en Noord-Macedonië. Een kaartje laat de route zien en toont welke steden worden bezocht.
Vreemdelingenhaat
Tharik Hussain werd in 1979 in Bangladesh geboren. Samen met zijn ouders migreerde hij in 1980 naar East End in Londen. Rondom de centrale straat Brick Lane, waarover ik al schreef, en in het naburige Whitechapel had zich daar een grote diaspora van migranten uit Bangladesh gevestigd. Het werd hem meteen duidelijk gemaakt dat hij daar niet hoorde. De tijd begin jaren tachtig was vol gewelddadig racisme. De British National Party hield kantoor in Brick Lane. Zijn vader werd voor de deur in elkaar geslagen en zijn moeder gilde van angst als er weer een brandbom door de brievenbus vloog. De Britse vreemdelingenhaat veranderde in de loop der jaren:
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.