Onlangs verscheen op deze plek een stukje over het al dan niet stil lezen in de Oudheid. Ik legde daarin uit dat de negentiende-eeuwse theorie dat men in de Oudheid vrijwel uitsluitend hardop las, inmiddels is verlaten: we weten inmiddels dat er wel degelijk ook stil werd gelezen – al moest je die vaardigheid dan natuurlijk wel beheersen. De voordelen van stil lezen zijn, en dat besefte men in de Oudheid ook, dat het sneller gaat en je je beter op de tekst kunt concentreren. De Griekse astronoom Claudius Ptolemaeus (87 – na 150 n.C.) schrijft bijvoorbeeld:
Als we ons bij het lezen moeten concentreren, lezen we in stilte. (Judic. 5.2)
De oudste dateerbare harp is een zogeheten hoekharp uit ongeveer 2600 v.Chr., gevonden in de koninklijke graven van Ur door Leonard Woolley. Zo’n hoekharp had een met dierenhuid bespannen doos als klankkast, meestal gemaakt van hout, maar ook ander materiaal komt voor. De klankkast van dit dertiensnarige instrument was horizontaal, terwijl de arm omhoog stak.
Uit dezelfde periode dateert de Cycladische harpspeler uit het vorige blogje. Deze hoekharp wordt bespeeld door een zittende man met de harp op zijn knie. Daar is de klankkast verticaal. De snavelachtige versiering aan de bovenkant lijkt op die van de harp op de vaas van de Peleusschilder hieronder.
Egyptische fluiten, tegenwoordig naygeheten, werden en worden aangeblazen aan de bovenkant van de buis, net als de afzonderlijke pijpjes van de panfluit, dus alsof je op de hals van een fles blaast.noot Ook de Japanse shakuhachi wordt zo bespeeld. De intrede van de huidige dwarsfluit in West-Europa, die wordt aangeblazen door een gat in de zijwand, zou hebben plaatsgehad vanuit het Oosten via Byzantium in de negende of tiende eeuw. De vroegste West-Europese afbeelding van een dwarsfluit staat in het beroemde Cántigas de Santa Maria uit de dertiende eeuw. Zie hieronder.
Voor ik vandaag begin, eerst even een petitie: Cardiff, oude geschiedenis deze maand. De sloop van de oudheidkundige instituten gaat gewoon verder.
***
Hebt u getekend? Dan gaan we nu beginnen.
Gymnosofisten
Een gymnosofist is, letterlijk, een naakte wijze of een wijze naaktloper. Het Griekse woord duikt voor het eerst op in beschrijvingen van de Indische campagne van Alexander de Grote in 327-325 v.Chr. Volgens een door Ploutarchos overgeleverde anekdote ondervraagt hij tien gymnosofisten die allemaal slimme antwoorden geven.nootPloutarchos, Leven van Alexander 64. Het verhaal, dat wat folkloristisch aandoet, is ook bekend van een papyrus in Bern, die dateert uit de eerste eeuw v.Chr.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
Egyptisch kindergraf (Staatliches Museum Ägyptischer Kunst, München)
De leukste voorwerpen uit de Oudheid zijn standaardobjecten die nét even anders zijn dan je verwacht. Zoals het bovenstaande reliëfje uit het Staatliches Museum Ägyptischer Kunst in München. Al beken ik dat ik me wat beschroomd voel om dit vierde-eeuwse kindergraf uit Antinoupolis “leuk” te noemen. Er zit zoveel verdriet achter.
Maar toch. Van dit soort Romeinse reliëfs gaan er dertien in een dozijn. Ze staan dan ook in een eeuwenoude traditie. De Egyptenaren maakten al sinds mensenheugenis standbeelden voor degenen die ze begroeven. In de Romeinse tijd gingen ze daar gewoon mee verder. De enige aanpassing was dat die afbeeldingen niet langer vrijstaand waren, maar dat de beelden waren geplaatst in een kader of nis. Zo’n nis kon duiden op vergoddelijking – ik blogde er al eens over – of op opname onder de hemelingen.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer aandacht voor wat we niet weten en wat we leren weten.
***
Peter James
Onlangs is Peter James overleden, misschien niet de meest invloedrijke oudheidkundige, maar wel een van de interessantere. Zijn veld was de antieke chronologie, en dat is een onderwerp waarover veel minder met zekerheid bekend is dan wel wordt aangenomen. Nog onlangs legde Wim Raven op deze blog uit dat de levensjaren van de profeet Mohammed eigenlijk onbekend zijn. Er zijn alleszins redelijke tegenwerpingen tegen de gangbare chronologie, waar de komende jaren alleen maar meer aandacht aan besteed zal moeten worden – een van de gevolgen van de DNA-revolutie.
Nu zijn er, als het gaat om het Nabije Oosten, vanouds malle chronologische reconstructies, die vaak voortkomen uit een verlangen vast te stellen dat de verhalen uit de Bijbel op een bepaalde manier waar zijn. Als Mozes in de woestijn een lichtzuil zag, dan was dat de uitbarstende vulkaan Thera en dan was de Uittocht in de zeventiende eeuw v.Chr. Dat werk. En omdat er ruimte is voor twijfel, is er ook ruimte voor kwakhistorische reconstructies, zoals die van Immanuel Velikovsky.
Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer vooral: hoe de oudheidkunde niet in het nieuws moet komen. De trouwe lezers van deze blog kennen mijn bezwaren en mogen dit blogje dus overslaan.
***
Een hop in het NRC Handelsblad
Eerst nog even de hop, de guitige vogel waarover ik eergisteren blogde. Dat deed ik naar aanleiding van een stuk in het NRC Handelsblad waarin stond dat het diertje naar Nederland was teruggekeerd. We lazen tevens dat in de gedichten van Homeros Odysseus op zijn reis een hop had als begeleider, wat mij verbaasde omdat ik dat niet had gelezen. Verschillende mensen bevestigden: er is geen hop in de Odyssee. Gert Knepper wees erop dat de hop in Aristofanes’ komedie De vogels de andere vogels één voor één oproept in wat misschien een parodie is op Odysseus’ afdaling naar de Onderwereld. Tot er een andere verklaring is, wil ik dit geloven, maar het is gewoon jammer dat NRC Handelsblad onjuiste informatie deelt.
Vroeger heette het milieu en tegenwoordig leefomgeving, maar evengoed verandert Nederland in een dystopie. Een doodenkele keer is er echter goed nieuws en keert zomaar een verdwenen diersoort terug. De otter, de zeearend, de bever, de wolf, de hop.
Het enige exemplaar van die wonderlijk gekuifde vogel dat ik in onze contreien ooit zag was in de Antwerpse dierentuin – zie boven. In het Midden-Oosten heb je meer kans het grappige beestje te zien en we kennen het dan ook uit allerlei antieke teksten. De Egyptenaren vereerden het dier omdat het voor zijn ouders zorgdenoot Horapollon, Hiërogliefen 1.55., terwijl de Joden deze vogel nou juist beschouwden als weerzinwekkend. nootLeviticus 11.19. Dat wil zeggen dat het noch rein, noch onrein was, maar niet paste in de categorieën en dus helemaal verontrustend was.
Griekse schildering van een dame met sieraden (British Museum, Londen)
Trouwe lezers van deze blog kennen Lauren van Zoonen van de blogs die ik weleens mag publiceren. Ze attendeerde gisteren op het bovenstaande schilderijtje, dat ze vorig jaar fotografeerde in het British Museum in Londen. Het voorwerpje meet negentien bij zeven centimeter en is gevonden in Saqqara. Een importstuk: het is immers Grieks in stijl en valt te dateren tussen 420 en 380 v.Chr. We weten dat in 404 v.Chr. het Perzische gezag over Egypte instortte en het is best mogelijk dat de eerste koning van het opnieuw onafhankelijke rijk, Amyrtaios (eigenlijk Amenirdisu), Griekse huurlingen in dienst heeft genomen. Na het einde van de Dekeleïsche Oorlog (414-404 v.Chr.) waren er nogal wat werkloze Griekse broodsoldaten. Zo iemand kan het beschilderde plankje hebben meegenomen.
De Griekse letters linksboven spellen “…odkles” of misschien “…oakles”. Ze worden onvoldoende begrepen om te weten wie de afgebeelde mevrouw is. Ze zit op een troon, maar of ze een voorname dame is of een godin, dat weten we niet. We herkennen echter een halssnoer, een armband, oorbellen en een haarnetje. En hoewel de kleuren wat verbleekt zijn, durf ik te gokken dat het van goud was. Hier is zo’n haarnetje. Het dateert uit de derde eeuw v.Chr. en ik fotografeerde het in het museum van Agrigento op Sicilië.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.