Ooit probeerde ik Ivanhoe te lezen. Al na een paar bladzijden ben ik gestopt, omdat de eindeloze beschrijvingen me tegenstonden. Walter Scott vermeldt zelfs de opening van de hals van een kledingstuk. Zulke ultragedetailleerde beschrijvingen laten te weinig over aan mijn verbeelding om me te boeien. De kale verhalen van de Bijbel liggen mij beter: er staat geen woord te veel in, zodat je je fantasie erop los kunt laten.
Dat betekent ook dat nogal wat onuitgelegd blijft. Een beroemd voorbeeld is Daniëls visioen van het Laatste Oordeel.nootDaniël 7. Hij heeft in zijn droomgezicht allerlei monsters uit de zee zien komen, en vervolgens staat er, zonder overbrugging, ineens laconiek “Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam.” Waarom die oude wijze meer dan één zetel nodig heeft, blijft onduidelijk en daarover is dan ook nogal wat rabbijnse discussie geweest. De auteur van Daniël lokt gedachtewisseling uit.
Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)
Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.
De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.
Een van de meest overdonderende opgravingen die ik ken, is die van Efese, in het westen van het huidige Turkije. Volgens een legende die misschien een element van waarheid bevat, leidde ooit een Athener genaamd Androklos een groep Griekse kolonisten overzee naar de plek die dus Efese zou zijn. Ooit. Heel precies wist men het niet, maar het was gebeurd na de (legendarische) komst van de Doriërs en vóór Homeros de Ilias schreef. De Grieken plaatsten die gebeurtenissen, waarvan de historiciteit onduidelijk is, rond 1200 en rond 800 v.Chr. op de kalender. Als er een historische kern is in het verhaal over Androklos, bevindt die zich in de “Dark Ages”.
Efese is echter veel ouder. In teksten, gevonden in de Hittitische hoofdstad Hattusa, is sprake van Abasa. Die stad, de hoofdstad van het koninkrijk Mira, moet al rond 1600 v.Chr. hebben bestaan. Ze is teruggevonden op de Ayasoluk, de heuvel waarop tegenwoordig de kerk staat van de heilige Johannes.
Een dromedaris uit Jemen (Institut du monde arabe, Parijs)
Ik ben nog nooit in Jemen geweest. En ik denk dat het ook niet meer zal gebeuren. Dus dit blogje gaat over een gebied dat ik niet ken uit eigen waarneming. Het is echter ook een gebied dat hoort bij de oude wereld, zelfs al lag het aan de uiterste grens, waar het Mediterrane handelsnetwerk aanknoopte bij het netwerk rond de Indische Oceaan. Dat maakte het antieke Jemen belangrijk.
Het was een vanouds welvarend gebied. Zó welvarend dat de Grieken en Romeinen het aanduidden als het Gelukkige Arabië. Het is te hopen dat de bewoners dat nooit hebben gehoord, want het is bekend dat zij zich niet beschouwden als Arabieren. Om te beginnen woonden de Jemenieten in steden en waren ze landbouwers; ze waren, anders dan althans een deel van de Arabieren, geen nomaden. En ze spraken geen Arabisch. Die taal, die rond 1000 v.Chr. werd gesproken in zuidelijk Syrië en Jordanië, verspreidde zich in de IJzertijd naar het zuiden, maar vooralsnog niet naar Jemen.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
Een Lycisch portret van Omfale; achter de Griekse mythe gaat een Anatolisch verhaal schuil (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
[Dit is het tweede van een vijftal korte blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
De inwoners van Lycië (landkaart) noemden zichzelf Trmmili, maar buiten Lycië gebruikte niemand die naam. Alleen de Griekse onderzoeker Herodotos, afkomstig uit het nabijgelegen Halikarnassos, noteert dat ze zich Termilen noemden. Minder plausibel voegt hij daaraan toe dat de Termilen zich Lyciërs waren gaan noemen toen een Athener genaamd Lykos bij hen was komen wonen.noot Herodotos, Historiën 7.92.
Archeologisch worden de Lyciërs “zichtbaar” in de achtste eeuw v.Chr., als de acropolis van de stad Xanthos wordt bebouwd. Niet veel later stichtten Grieken van het eiland Rhodos de havenstad Faselis en verschillende andere steden. De bewoners moeten het alfabet hebben doorgegeven aan de Lyciërs en hun economie hebben gestimuleerd door landbouwproducten af te nemen. Toch bleven de meeste Lyciërs herders die met hun kuddes zwierven door het kustgebergte. Omdat het gebied zo lastig begaanbaar was, konden de koningen van Lydië, die in de vroege zesde eeuw grote delen van Anatolië onderwierpen, Lycië nooit onderwerpen. Of ze veel behoefte hadden aan de betrekkelijk arme regio, is ook maar de vraag.
Deze blog begon ruim dertien jaar geleden als een algemeen medium, zeg maar als een soort dagelijkse krant, en veranderde al snel in een blog over de Oudheid. Ik heb Rome, Griekenland, Egypte, Mesopotamië en Perzië altijd gepresenteerd in samenhang met Centraal-Eurazië en met Afrika; de Indusbeschaving en China kregen wat minder aandacht omdat ik er wat minder van weet. En Precolumbiaans Amerika kreeg pas de laatste jaren wat aandacht.
Eén reden daarvoor is dat ik meende dat de Precolumbiaanse culturen niet goed pasten bij de definitie van de oude wereld: de periode waarover we naast het archeologische bewijs al geschreven bronnen hebben, maar niet zó veel bronnen dat we aan echte geschiedvorsing kunnen denken. Eigenlijk, dacht ik, bestaat deze situatie in de Amerika’s alleen in de ruime eeuw vóór Cortés en Pizarro. Maar er zijn veel meer teksten, oudere ook, dan ik dacht. Een tweede reden: voor de op deze blog behandelde materie over de Oude Wereld kan ik zonder de Azteken en Inka’s uit de Nieuwe Wereld. En ook daarover ben ik anders gaan denken.
Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.
Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.
Zulke woorden zijn afgeleid van de naam van de stam Juda, die in de IJzertijd leefde in de omgeving van de stad Jeruzalem. Koning David voegde die stad, die niet bij een van de twaalf Bijbelse stammen behoorde, toe aan zijn koninkrijk.noot2 Samuël 5.6-9. Na het uiteenvallen van dat rijk, ergens rond 930 v.Chr., bleef Jeruzalem de hoofdstad van het zuidelijke koninkrijk. Dat bestond uit twee voormalige stammen, Juda en Benjamin, en omdat die laatste nogal klein was, heette het koninkrijkje dat vanuit Jeruzalem werd bestuurd, naar de grootste stam: Juda.
Ik heb me zelden in mijn leven zó in mijn oudheidkundige waanwijsheid betrapt gevoeld als op een grijze decemberdag, nu een jaar of twintig geleden, in Rome. Ik was met twee studenten op het Forum Romanum en we wandelden naar de Palatijn, de heuvel waar ooit de keizerlijke paleizen stonden en waar Romulus de stad zou hebben gesticht. Uiteraard moest ik alles uitleggen en stond ik al in de doceerstand toen een van de studenten (de Lauren van Zoonen die hier ook weleens leuke blogs schrijft) zei dat dit toch wel een magische plek was.
Bam. Dat was ik even vergeten. Maar Rome is natuurlijk niet slechts een plaats waar allerlei oudheidkundig interessants is te zien. Het is ook een plek die je moet ervaren. Er is niets mis met Ruinenlust. Zeker op de Palatijn, waar de overblijfselen van de oude gebouwen zijn opgenomen in een prachtig park, dat zelfs op een grijze decemberdag magisch is.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.