Tekstselectie

Plato, wiens oeuvre al in de Oudheid aan tekstselectie onderworpen is geweest (Glyptothek, München)

Oudheidkundigen hebben twee hoofdsoorten bewijsmateriaal: de materiële resten en de geschreven teksten. Beide zijn de “neerslag” van de antieke cultuur. Een cultuur die we niet langer kunnen observeren en waarvoor we dus geen direct bewijs hebben, maar slechts aanwijzingen. Veel is ’t niet, maar juist het gebrek aan en de ambiguïteit van de data maken het vak uitdagend. De hamvraag is steeds hoe we van de weinige aanwijzingen die er zijn, komen tot een verantwoorde reconstructie van de antieke cultuur.

Over de wijze waarop archeologen de materiële resten de antieke cultuur documenteren, is veel geschreven. Dat heet reconstructietheorie en die maakt onderscheid tussen twee soorten verandering. Enerzijds zijn er natuurlijke transformaties: de wijze waarop, sinds de Oudheid, de materiële resten zijn veranderd. De processen variëren van het wegspoelen van steden langs de Nijl tot het ontstaan van patina op munten. Anderzijds zijn er culturele transformaties, die optreden als de aard van de materiële resten verandert door menselijk ingrijpen. Wie z’n afval opveegt, verandert ook z’n materiële neerslag. De jargontermen, die ik u gebied te vergeten, zijn n-transformatie en c-transformatie.

Lees verder “Tekstselectie”

Archeologie als sociale wetenschap

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.

Wetmatige verbanden

Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.

De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.

Lees verder “Archeologie als sociale wetenschap”

De oudste poëzie

Orfeus improviseert zijn poëzie (Museum van Antiochië)

De woordenschat van de Indo-Europese talen gaat terug op een oertaal die in het huidige Oekraïne gesproken is geweest toen de Steentijd overging in de Bronstijd. Die taal kunnen taalkundigen redelijk goed reconstrueren dankzij goed gefundeerde klankwetten en zo kunnen ze uitspraken doen over de tussenliggende eeuwen. Zeg maar de Bronstijd, de periode waaraan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden vanaf 18 oktober een overzichtstentoonstelling zal wijden. Taal en archeologie gaan hier hand in hand, want een fors deel van de archeologische interpretatie veronderstelt informatie die de taalkundigen hebben geleverd. Omgekeerd helpt de archeologie tegen al te malle, op taal gebaseerde reconstructies van de oude samenlevingen.

Het potentieel van de taalkunde beperkt zich echter niet tot de vaststelling dat er koningen, gezinnen en hemelgoden zijn geweest, of dat er zaken bestonden als magische rituelen en de uitwisseling van geschenken. Taalkundigen kunnen ook uitspraken doen over de vorm van de poëzie. Niet over de inhoud helaas; wat men in de gedichten vertelde, is voorgoed verloren. Maar hoe de dichters te werk gingen, daarover kunnen taalkundigen uitspraken doen. Ze kijken daarvoor naar de poëzie van de Indo-Europese talen, herkennen overeenkomsten en beredeneren hoe die kan zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese oerpoëzie.

Lees verder “De oudste poëzie”

Grotefend en het spijkerschrift

Persepolis, inscriptie DPa

Het verhaal van Champollions ontcijfering van de hiëroglyfen is vaak genoeg verteld. Ik heb er lang geleden weleens een filmpje over gemaakt. Hoe een codebreker uit de Tweede Wereldoorlog, Michael Ventris, erin slaagde het Lineair-B te lezen, heb ik ook weleens aangestipt. Dat is eveneens een bekend verhaal. Over de ontcijfering van het spijkerschrift hebben we het op deze blog echter nooit gehad, terwijl dat een leuke puzzel is geweest.

Spijkerschriften

Maar eerst even dit. Er zijn verschillende soorten spijkerschrift. Het voornaamste is het Babylonische, dat ook door de Assyriërs werd gebruikt. Het is afgeleid van het Sumerische spijkerschrift. Verder hadden de Elamieten een eigen spijkerschrift, en toen de Perzen eenmaal in het Nabije Oosten de macht hadden, voelden ze zich aan hun stand verplicht ook een eigen schrift te hebben. Dat gebruikten ze in hun koninklijke inscripties, vaak in combinatie met andere schriftsoorten – kijk maar hier.

Lees verder “Grotefend en het spijkerschrift”

Jood: een beladen begrip

Van de hand van Ewoud Sanders verscheen vorige week een interessant boek met de niet mis te verstane titel Jood. De vergeten geschiedenis van een beladen woord. Het onderliggende probleem – anders gezegd, waarom is het woord “jood” zo beladen? – is misschien wel het beste geïllustreerd door de spellingswet, die vindt dat het woord met een kleine letter geschreven moet worden als het om religie gaat, en met een hoofdletter als het om een volk gaat. Bij Joden/joden valt het een echter niet los van het ander te zien, want ze zijn eeuwenlang een volk geweest dat (althans volgens velen) door religie was gedefinieerd. Daarmee paste de Jood niet in de bekende hokjes. We verdelen de mensheid in volken waar je affiniteit mee hebt en volken waarbij je dat niet voelt, en in godsdiensten die je begrijpt en die je niet begrijpt, en het bestaan van Joden problematiseert dat soort handige verdelingen. Dat maakt jodendom lastig, althans voor niet-joden/niet-Joden.

Stereotypen

Sanders’ boek blijft lichtvoetig. Beginnend met het Bijbelverhaal over Juda, de naamgever van de stam Juda, die in de Vroege IJzertijd leefde rond Jeruzalem, en met een korte stop bij de (valse) beschuldiging dat “de” Joden Christus hadden vermoord, komt Sanders al snel uit bij het soort informatie waar hij goed in is: de geschiedenis van Nederlandse woorden in de afgelopen twee, drie eeuwen.

Lees verder “Jood: een beladen begrip”

De Proto-Indo-Europese samenleving: namen

Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

Met het oog op de naderende Bronstijdtentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden, beloofde ik wat te zullen schrijven over de Chalcolithicum/Bronstijd-samenleving die we kunnen reconstrueren aan de hand van wat we kunnen reconstrueren van het Proto-Indo-Europees. Dat ik tweemaal “we kunnen reconstrueren” schrijf, is lelijk maar geen toeval. Als we het hebben over het Proto-Indo-Europees, bedoelen we  een verzameling dialecten. En “de” daarop gebaseerde samenleving is natuurlijk eveneens slechts een benadering. Zoals alle oudheidkundige kennis.

Eén van de dingen waar de reconstructie echter redelijk solide is, is de naamgeving. We kennen namelijk heel veel persoonsnamen, afkomstig uit vrijwel alle Indo-Europese talen. En in bijna al die talen zien we hetzelfde patroon, dat taalkundigen aanduiden als tweestammigheid. Dat wil zeggen dat een naam bestaat uit twee elementen. De Griekse naam Nikolaos – het is vandaag immers het feest van de geboorte van Sint-Nikolaas – bestaat uit twee elementen, namelijk nikè, “overwinning”, en laos, “volk”. Het betekent dus zoiets als “overwinning voor het volk” of “overwinnaar van het volk”.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: namen”

Vijf redenen om geen illegale oudheden te kopen

Papyri en andere oudheden uit het museum in Malawi belandden op de zwarte markt

Volgens mij zijn de fascinerende huisregels van deze blog zó fascinerend dat iedereen ze elke dag herleest. En de fascinerendste regel is dat ik me niet wil inlaten met illegale oudheden. Desondanks blijven mensen me benaderen die blijkbaar door de huisregels niet gefascineerd genoeg zijn.

Nog onlangs was er bijvoorbeeld iemand die schreef in de Ardennen iets fantastisch te hebben gevonden en daarover mijn advies wilde. Op de suggestie contact op te nemen met de archeologische autoriteiten volgde “dan niet”, en met die onbeschoftheid beschouwde hij de correspondentie als beëindigd. Voor alle anderen die onvoldoende gefascineerd zijn door de huisregels (en zonder een kwaad woord te willen spreken over de bona fide handelaren en verzamelaars) leg ik nog één keer uit waarom je beter geen oudheden kunt kopen als je niet heel goed weet waar ze vandaan komen.

Lees verder “Vijf redenen om geen illegale oudheden te kopen”

De Proto-Indo-Europese godsdienst

Mjölnir (Zweeds Historisch Museum, Stockholm)

Binnenkort is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Het leek me, zoals ik al eerder schreef, een aardig idee de toenmalige samenleving te beschrijven aan de hand van de taal. Dit Bronstijderfgoed biedt immers een fantastisch venster op een van de toenmalige samenlevingen: de Yamnaya-cultuur in het huidige Oekraïne. Die is gedeeltelijk te reconstrueren aan de hand van de gedeelde woordenschat van latere volken, die het schrift beheersten. De redenering is hierbij dat als iets het geval is geweest in én de Proto-Indo-Europese samenleving rond 3000 v.Chr. én de schrijvende samenlevingen, het eveneens het geval moet zijn geweest in de tussenliggende Bronstijdsamenlevingen.

Vader Hemel

Zo kunnen we ook uitspraken doen over de religie van de Bronstijd. Die was, om te beginnen, polytheïstisch. Iets preciezer: men vereerde – voor zover de documentatie reikt – vooral hemelgoden, en dan vooral Vader Hemel. Die heet in het Grieks Zeus Pater, in het Latijn Ju-piter, in het Indisch Dyaus Pitar. Het tweede element betekent vader, het eerste element, *Dyeus, is afgeleid van een werkwoord dat zoiets als “stralen” of “schijnen” betekent. Datzelfde werkwoord ligt aan de basis voor het woord voor god, dat in het Latijn deus is, in het Indisch devas, in het Keltisch dewos, in het Hittitisch šiuš en in het Gotisch teiws. Het Griekse theos lijkt er weliswaar op maar heeft een andere herkomst.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese godsdienst”

De Tochaarse talen

De stichters van een boeddhistisch klooster aan de noordrand van de Taklamakanwoestijn (Humboldtforum, Berlijn)

Het westelijk deel van wat wij China noemen, bestaat uit het zogeheten Tarimbekken, waarin de Taklamakanwoestijn ligt. Menselijk leven is alleen mogelijk aan de randen daarvan. De Zijderoute loopt dus óf ten zuiden óf ten noorden van dit bassin. De noordelijke rand is verkend door Duitse expedities, die grotten vol boeddhistische schilderingen én teksten aantroffen. Wat ze vonden, is nu te zien in het Humboldtforum in Berlijn. Een andere ontdekkingsreiziger was Aurel Stein. Dit is de Aurel Stein die ook de route van Alexander de Grote in de Swatvallei heeft verkend.

Tochaars-A en Tochaars-B

En hij ontdekte manuscripten in twee vergeten talen, die zijn vernoemd naar een volk dat ooit in de omgeving gewoond zou kunnen hebben, de Tocharen. Of de Tocharen werkelijk de talen spraken die wij Tochaars noemen, is niet zo belangrijk. Wel belangrijk is dat het aanbod aan teksten, dankzij de droge woestijn, vrij groot is. Van het Tochaars-A, dat ook weleens Turfaans is genoemd omdat sommige teksten uit de Turfan-oase komen, zijn ongeveer 2000 teksten over. Van het Tochaars-B zijn 9000 teksten over. Ze zijn geschreven in de Late Oudheid.

Lees verder “De Tochaarse talen”

De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit

In de Proto-Indo-Europese samenleving heette dit *peku.

De Bronstijd is de tijd waarin Europa zijn talen heeft gekregen. Indo-Europese talen. De relevantie ervan – of beter: de relevantie van het taalkundig onderzoek – staat buiten kijf. De Indo-Europese talen vormen immers een loepzuiver voorbeeld van de wijze waarop geesteswetenschappelijk onderzoek onze samenleving vormt: toen de Indo-Europese taalfamilie was ontdekt, veranderde de aard van het Europese nationalisme en gingen we volken definiëren als taalgemeenschappen. Il n’y a pas de Belges: de eeuwige Belgische staatshervormingen zijn een regelrecht gevolg van een oudheidkundige ontdekking. Niets meer, niets minder.

De Proto-Indo-Europese samenleving

Bovendien vormen de oude talen zelf ons belangrijkste erfgoed. Alle reden dus om ze als bron van informatie te gebruiken en een vroegantieke samenleving te schetsen. Ik wil dus de gedeelde woordenschat bekijken om te zien wat we kunnen weten over de wereld van de sprekers van de Proto-Indo-Europese talen. Omdat die verwante woorden hebben voor de onderdelen van een wagen, hebben we het over een wereld die is ontstaan na de uitvinding van het wiel – laten we zeggen ná 3500 v.Chr. Een wereld die ergens rond 2800 v.Chr. uiteen begon te vallen.

Lees verder “De Proto-Indo-Europese samenleving: bezit”