Het oosterse wereldrijk

Akkadisch overwinningsreliëf (Louvre, Parijs)

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, vandaag de vraag: kan het niet simpeler met al die rijken uit de Brons- en IJzertijd? De Egyptische geschiedenis is vrij overzichtelijk verdeeld in drie “rijken”, wat tussentijden en nog een Late Periode, maar het Nabije Oosten is een vrij complexe afwisseling van Sumeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs (oud-, midden-, nieuw-), Assyriërs (oud-, midden-, nieuw-), Elamieten, Meden, Achaimenidische Perzen, Seleukiden, Parthen en Sassanidische Perzen. En daarna dus de Kalifaten van Damascus en Bagdad. Nogal complex.

Het oosters wereldrijk

Bij inleidend onderwijs zeg ik altijd “het oosters wereldrijk” en dat lijkt me een toegestane vereenvoudiging, vergelijkbaar met de “vier vegen” om de geschiedenis van alle volken van Centraal-Azië samen te vatten. Het idee dat er één koning voor de hele wereld moest zijn, heeft eerbiedwaardig oude wortels; de stedelijke infrastructuur bleef eeuwenlang bestaan; literatuur en talen waren al even duurzaam. Het is niet verkeerd al die “rijken” op te vatten als dynastieën in hetzelfde grote koninkrijk. (Eigenlijk zijn het etnoklassen die toevallig niet aan de onderkant maar aan de bovenkant van de samenleving zitten; ik laat dit even wat het is.) Tot de enorme etnische veranderingen ten tijde van de Mongolenstorm was er nogal wat continuïteit.

Lees verder “Het oosterse wereldrijk”

De Midden-Bronstijd

Mentuhotep II, de grondlegger van het Middenrijk (Louvre, Parijs)

In de reeks over het handboek Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek moeten we het eens hebben over het tweede millennium. Er is een klimaatcrisis geweest en nu bevinden we ons in de Midden-Bronstijd, die we in Egypte associëren met het Middenrijk en in Mesopotamië met het Oud-Babylonische Rijk en het Oud-Assyrische Rijk. Het is ook de periode waarin de Indo-Europees-sprekenden Anatolië binnendringen en zich vestigen in de stad Hattusa, waaraan ze de naam Hittieten ontlenen.

Vroeg, Midden, Laat

Eerst een woord over de nomenclatuur. De populaire natuurmetafoor dat alle dingen ontstaan, groeien, bloeien en teloor gaan is klassiek-Grieks. Ze is te vinden bij onder andere Aristoteles. Antieke kunsthistorici gebruikten het beeld om de neo-klassieke stijl aan te duiden: na de klassieke periode was het vroege hellenisme een soort dood geweest. “Cessavit deinde ars,” schrijft Plinius, “de kunst hield toen op te bestaan”. Daarna bloeide ze echter weer op met die neo-klassieke kunst.

De achttiende-eeuwse Duitse kunsthistoricus Winckelmann nam het over: de kunst was ontstaan in de archaïsche tijd, bloeide in de klassieke tijd en wat daarop volgde was eigenlijk drie keer niks. De enige hoop voor zijn tijdgenoten was de navolging van de klassieke kunstenaars – en zo ontstond het achttiende-eeuwse classicisme.

Lees verder “De Midden-Bronstijd”

Het Aramees: de eerste wereldtaal

Een papyrus uit Elefantine met een deel van de tekst van de Behistuninscriptie, vertaald in het Aramees (Neues Museum, Berlijn)

De oudste wereldtaal is het Aramees. Of eigenlijk is het niet één taal, maar een familie van talen. Het aardige is dat het Aramees al drie millennia te volgen is. Aanvankelijk was het de taal van – u raadt het al – de Arameeërs in Syrië, maar later was het de kanselarijtaal van het Perzische Rijk en toen dat ten onder was gegaan, bleef het Aramees in gebruik in het gehele Nabije Oosten. In het Romeinse Rijk en het Parthisch/Sassanidische Rijk ontstonden joodse, samaritaanse en mandese varianten.

En ook christelijke, trouwens, die nog altijd worden gesproken in een paar dorpen ten noorden van Damascus. Ik weet niet of dat nog steeds de situatie is want tijdens de Syrische Burgeroorlog is stevig geplunderd in die regio en ik sluit niet uit dat ook de bewoners het hard te verduren hebben gehad. Mogelijk is het Aramees sinds kort geen levende taal meer.

Lees verder “Het Aramees: de eerste wereldtaal”

Klimaatcrisis, 2200 v.Chr.

Hoe een klimaatcrisis eruit ziet: stofstorm in het noorden van Mesopotamië

In een eerder stukje in mijn reeks over het handboek oude geschiedenis dat ik, in een recente herdruk, aan het lezen ben, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, wees ik erop dat als het boek nu zou zijn opgezet, er geen gescheiden behandeling zou zijn geweest van Egypte in het derde millennium en Mesopotamië in het derde millennium. De Vroege Bronstijd, zoals we deze periode ook wel noemen, veronderstelde handel in tin en netwerken die zich uitstrekten over duizenden kilometers. Hoewel in de twee genoemde regio’s voor ons leesbare schriftsystemen zijn ontstaan die voor ons begrijpelijke talen documenteren, was het Nabije Oosten onderdeel van één groot, vroeg wereldsysteem.

Hypercoherentie

Een systeem dat hypercoherent was geworden. U herinnert zich die term uit de complexiteitstheorie nog van de kredietcrisis van 2008 of kunt haar kennen uit het fijne boek van Eric Cline over het einde van de Late Bronstijd, 1177 BC. Het komt erop neer dat als alles met elkaar vervlochten is, een ramp in één onderdeel onvermijdelijk gevolgen heeft voor de andere delen. Je zou willen dat een van de onderdelen ongeschonden overeind bleef, als een anker voor de andere, maar in een hypercoherent systeem ontbreekt dat. Dat was niet alleen de situatie aan het einde van de Late Bronstijd, maar ook in de tweeëntwintigste eeuw v.Chr.

Lees verder “Klimaatcrisis, 2200 v.Chr.”

Mesopotamië in het derde millennium

Koning Maništušu van Akkad; kopie van een in de Ištartempelk in Nineveh gevonden portret. Het origineel is in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad; deze kopie komt uit het British Museum in Londen.

In mijn reeks naar aanleiding van het handboek waarmee ik ooit oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, vandaag een stukje over het derde millennium in het Nabije Oosten. De verdeling die de auteurs aanbrengen (namelijk in paragrafen over enerzijds Egypte en anderzijds de Sumeriërs en Akkadiërs) is een erfenis uit de tijd dat oudheidkundigen alleen deze twee culturen kenden en dan vooral uit teksten.

Bronstijd

Het plaatje van wat bekendstaat als Bronstijd is nu helemaal anders. De archeologie documenteert deze fase uit de geschiedenis inmiddels in een veel grotere regio. De handel in tin zorgde immers voor contacten en ideeënuitwisseling, waardoor netwerken ontstonden van Oezbekistan tot Mesopotamië en van de Atlantische kusten tot Egypte. Jiroft is een belangrijke nederzetting in Iran en het BMAC is een van de fascinerendste beschavingen die is herkend sinds De Blois en Van der Spek de eerste versie van hun handboek naar de drukker brachten. De nadruk die zij leggen op de twee traditionele “oerculturen” is niet verkeerd – die twee culturen schreven tenminste – maar ik vermoed dat als ze hun boek nu zouden opzetten, ze één hoofdstuk zouden maken waarin de Vroege Bronstijd als één geheel werd behandeld.

Lees verder “Mesopotamië in het derde millennium”

De grenzen van de Oudheid

Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

De Oudheid als bakermat

Maar wat is die Oudheid nou? Vrij simpel: de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 à 800 na Chr. Daarvóór hebben we alleen archeologische data, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om echt geschiedenis te schrijven. De Oudheid is de tussenfase: wel bronnen maar onvoldoende. Dataschaarste is hét centrale thema.

De auteurs noemen deze periode “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

Lees verder “De grenzen van de Oudheid”

Interview met Daan Nijssen

Vandaag verschijnt het boek Het wereldrijk van het Tweestromenland van Daan Nijssen. Het is een geschiedenis van het antieke Nabije Oosten, een thema dat enerzijds belangrijk en boeiend is, maar anderzijds lastig. Veel van die namen, plaatsen en volken zijn ons immers vreemd. Nijssen, die online al publiceerde op zijn eigen blog en op Sargasso en die dus weet wat hij doet, heeft het kunststukje toch geflikt: een leesbaar boek over een van de grootste oude beschavingen.

Als de gezondheidssituatie beter was geweest, zou er vandaag een presentatie zijn geweest in het Rijksmuseum van Oudheden, maar zo heeft het niet mogen zijn. Per e-mail heb ik Nijssen geïnterviewd.

Lees verder “Interview met Daan Nijssen”

Misverstand: Bakermat

 

In Damascus wordt deze stadspoort aangewezen als de plaats waar Paulus ooit over de muur wist te ontsnappen. Weererkers zijn een middeleeuwse uitvinding en deze poort stond er niet in de eerste eeuw.

Misverstand: Het Nabije Oosten is de bakermat van onze religies, het westen van onze rationaliteit

Een van de slagzinnen waarmee het Syrisch verkeersbureau toeristen probeert te trekken, is dat Syrië de ‘cradle of faith’ zou zijn geweest, de bakermat van de religies. Het werkt: elk jaar komen er duizenden westerse christenen naar Damascus om de plek te zien waar de vrienden van de apostel Paulus hem in een mand over de stadsmuur lieten zakken om hem te laten ontsnappen. Op loopafstand drommen Iraanse pelgrims samen bij het graf van Hosseyn, de derde imam. Veel van die religieuze sites zijn van een bedenkelijke authenticiteit: het erkertje waaruit Paulus zou zijn neergelaten dateert bijvoorbeeld uit de Middeleeuwen.

Maar er is een wezenlijker probleem met het religieuze toerisme naar het Midden-Oosten. Om het te begrijpen moeten we tweehonderd jaar terug, naar Berlijn. Daar werd aan het begin van de negentiende eeuw een nieuwe universiteit gesticht waarin het wetenschappelijk bedrijf op een vernieuwende manier werd georganiseerd. De discipline van de oude geschiedenis raakte daarbij verspreid over twee afdelingen: de historicus die Griekenland en Rome wilde bestuderen, moest eerst Grieks en Latijn leren en kwam zo terecht bij de subfaculteit van de klassieke talen; de historicus die zich op het Nabije Oosten richtte, moest Hebreeuws of Arabisch leren en kwam terecht bij Semitische talen. Wat eeuwenlang samen bestudeerd was geweest, raakte zo gescheiden – en niet alleen in Berlijn, maar overal waar dit organisatiemodel werd overgenomen.

Lees verder “Misverstand: Bakermat”

Herman Vanstiphout (1941-2019)

Enkidu, Gilgameš en de hemelstier: reliëf uit Nuzi (Pergamonmuseum, Berlijn)

Er is maar één Oudheid geweest en we weten er veel te weinig van. Dataschaarste is hét centrale thema van de oudheidkunde, een thema dat de oudheidkundigen onderscheidt van andere wetenschappers en onderling verbindt. Desondanks is het vakgebied verdeeld. Om te beginnen is er de op een negentiende-eeuwse traditie gebaseerde tegenstelling tussen archeologen en filologen, vervolgens is er de even verouderde tegenstelling tussen enerzijds Griekenland en Rome en anderzijds het Nabije Oosten, en tot slot is er een tegenstelling tussen de wetenschap en de publieke kennis. Het is geen mens gegeven al die tegenstellingen op te heffen maar de onlangs overleden Groningse geleerde Herman Vanstiphout deed zijn best in elk geval de kloof tussen wetenschap en publiek te overbruggen.

Twee boeken verdienen uw aandacht. In Eduba (2004) toonde hij aan de hand van allerlei vertaalde teksten hoe in het oude Sumerië de school- en schrijfcultuur zijn ontstaan. Het boek is antiquarisch nog wel te krijgen en ik kan het u aanraden. Het andere boek is zijn vertaling van het Epos van Gilgameš (2001), waarover ik al eens blogde. Het epos is weleens getypeerd als het nationale gedicht van de Babyloniërs. Daarmee is het tekortgedaan, want het werd ook gelezen in de Hittitische hoofdstad Hattusa en in het verre Megiddo in Kanaän, er lag een exemplaar in de Bibliotheek van Aššurbanipal in de Assyrische hoofdstad Nineveh, terwijl de kern bestaat uit verhalen over een Sumerische vorst. Er zijn echo’s in de Griekse literatuur. Zo het iets is, dan toch het gedicht van de eerste drie millennia van de menselijke geschiedenis.

Lees verder “Herman Vanstiphout (1941-2019)”

Oude tabletten, nieuwe technieken

Een van de kleitabletten uit het NINO: een lijst met beroepen uit de vierentwintigste eeuw v.Chr.

[Vandaag een gastbijdrage van Marjon Verburg, die aanwezig was bij een bijeenkomst over de catalogisering van de NINO-kleitabletten-collectie, waarbij ook nieuwe laboratoriumtechnieken werden behandeld.]

Het Nederlands Instituut voor het Nabije Oosten (NINO) heeft een collectie van zo’n 3000 kleitabletten, rolzegels, lemen kegels, die in bijvoorbeeld Uruk werden gebruikt om mozaïeken op muren mee te maken, en nog diverse andere objecten: de Liagre Böhl collectie, vernoemd naar F.M.T. de Liagre Böhl. Deze Leidse professor in de assyriologie, van 1939 tot 1955 aan het NINO verbonden, bouwde de collectie op in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw.

Op 3 juli jl. werd er in het Rijksmuseum van Oudheden onder leiding van prof.dr. Caroline Waerzeggers een serie korte presentaties gegeven over onder meer het catalogiseren van de voorwerpen en het scannen van kleitabletten.

Lees verder “Oude tabletten, nieuwe technieken”