Efese

Een atleet uit Efese (Ephesos-Museum, Wenen)

Een van de meest overdonderende opgravingen die ik ken, is die van Efese, in het westen van het huidige Turkije. Volgens een legende die misschien een element van waarheid bevat, leidde ooit een Athener genaamd Androklos een groep Griekse kolonisten overzee naar de plek die dus Efese zou zijn. Ooit. Heel precies wist men het niet, maar het was gebeurd na de (legendarische) komst van de Doriërs en vóór Homeros de Ilias schreef. De Grieken plaatsten die gebeurtenissen, waarvan de historiciteit onduidelijk is, rond 1200 en rond 800 v.Chr. op de kalender. Als er een historische kern is in het verhaal over Androklos, bevindt die zich in de “Dark Ages”.

Efese is echter veel ouder. In teksten, gevonden in de Hittitische hoofdstad Hattusa, is sprake van Abasa. Die stad, de hoofdstad van het koninkrijk Mira, moet al rond 1600 v.Chr. hebben bestaan. Ze is teruggevonden op de Ayasoluk, de heuvel waarop tegenwoordig de kerk staat van de heilige Johannes.

Lees verder “Efese”

Het antieke Jemen

Een dromedaris uit Jemen (Institut du monde arabe, Parijs)

Ik ben nog nooit in Jemen geweest. En ik denk dat het ook niet meer zal gebeuren. Dus dit blogje gaat over een gebied dat ik niet ken uit eigen waarneming. Het is echter ook een gebied dat hoort bij de oude wereld, zelfs al lag het aan de uiterste grens, waar het Mediterrane handelsnetwerk aanknoopte bij het netwerk rond de Indische Oceaan. Dat maakte het antieke Jemen belangrijk.

Het was een vanouds welvarend gebied. Zó welvarend dat de Grieken en Romeinen het aanduidden als het Gelukkige Arabië. Het is te hopen dat de bewoners dat nooit hebben gehoord, want het is bekend dat zij zich niet beschouwden als Arabieren. Om te beginnen woonden de Jemenieten in steden en waren ze landbouwers; ze waren, anders dan althans een deel van de Arabieren, geen nomaden. En ze spraken geen Arabisch. Die taal, die rond 1000 v.Chr. werd gesproken in zuidelijk Syrië en Jordanië, verspreidde zich in de IJzertijd naar het zuiden, maar vooralsnog niet naar Jemen.

Lees verder “Het antieke Jemen”

De Gouden Hoed van Berlijn

De Gouden Hoed van Berlijn (Neues Museum, Berlijn)

Op de Bronstijdexpositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, die ik al eens aanstipte, is momenteel de Gouden Hoed van Schifferstadt te zien, die in 1835 is gevonden in de buurt van Spiers. Het wonderlijke voorwerp is ergens tussen 1400 en 1300 v.Chr. vervaardigd. Negen jaar later dook nog zo’n voorwerp op, dit keer in Avanton bij Poitiers. Dat is ruwweg even oud en ik zal niet snel vergeten hoe ik het eind oktober zag in het Musée Archéologie Nationale in Saint-Germain-en-Laye: het cliché “magisch” was zeker op zijn plaats. Een derde hoed is in 1953 in de omgeving van Neurenberg bij Ezelsdorf gevonden. Die wordt gedateerd rond 1000 v.Chr.

Tot slot verwierven de Berlijnse musea in 1996 een hoed met een schimmige herkomst. Ook die Gouden Hoed van Berlijn dateert van rond 1000 v.Chr. Ik heb het een paar keer gezien, sensationalistisch opgesteld in mysterieuze duisternis. Ondanks het gekunstelde pathos waarmee het Neues Museum het presenteert, blijft het een indrukwekkend voorwerp. Het is vijfenzeventig centimeter hoog en weegt een pond.

Lees verder “De Gouden Hoed van Berlijn”

Lycië in de Bronstijd

De rotsachtige kust van Lycië

De zuidgrens van het huidige Turkije wordt gedomineerd door een enorme bergketen, de Taurus. De Afrikaanse tektonische plaat botst hier tegen de Euraziatische plaat. Hoewel er kustvlaktes zijn, zoals Cilicië en Pamfylië, rijzen de bergen op veel plaatsen bijna meteen op uit de Middellandse Zee, waardoor het land weinig toegankelijk is en de rotskust gevaarlijk. Een van de beruchtste kusten was Lycië, in het zuidwesten (landkaart).

Lukka

De /c/ in Lycië danken we aan het Latijn, dat zo de /k/ weergaf. Ik blogde al eens over de laatantieke klankverandering. Maar je sprak het dus uit als Lukia, en zo heet het gebied dan ook in de oudste, Hittitische bronnen: Lukka. Die bronnen noemen nooit vorsten en er zijn ook geen staatsverdragen bekend, wat suggereert dat de Bronstijd-Lyciërs niet waren georganiseerd als koninkrijk. Dat wordt bevestigd door het feit dat monumentale architectuur ontbreekt: er was geen staatsapparaat. De mensen leefden als nomaden in een stamsamenleving.

Lees verder “Lycië in de Bronstijd”

Precolumbiaanse culturen

Tijdvak: 1500 v.Chr. - 1525 na Chr.
1500-1400 v.Chr.1400-1300 v.Chr.1300-1200 v.Chr.1200-1150 v.Chr.1150-1100 v.Chr.1100-1050 v.Chr.1050-1000 v.Chr.1000-0950 v.Chr.0950-0900 v.Chr.0900-0850 v.Chr.0850-0800 v.Chr.0800-0775 v.Chr.0775-0750 v.Chr.0750-0725 v.Chr.0725-0700 v.Chr.0700-0675 v.Chr.0675-0650 v.Chr.0650-0625 v.Chr.0625-0600 v.Chr.0600-0575 v.Chr.0575-0550 v.Chr.0550-0525 v.Chr.0525-0500 v.Chr.0500-0475 v.Chr.0475-0450 v.Chr.0450-0425 v.Chr.0425-0400 v.Chr.0400-0375 v.Chr.0375-0350 v.Chr.0350-0325 v.Chr.0325-0300 v.Chr.0300-0275 v.Chr.0275-0250 v.Chr.0250-0225 v.Chr.0225-0200 v.Chr.0200-0175 v.Chr.0175-0150 v.Chr.0150-0125 v.Chr.0125-0100 v.Chr.0100-0075 v.Chr.0075-0050 v.Chr.0050-0025 v.Chr.0025-0001 v.Chr.0001-0025 na Chr.0025-0050 na Chr.0050-0075 na Chr.0075-0100 na Chr.0100-0125 na Chr.0125-0150 na Chr.0150-0175 na Chr.0175-0200 na Chr.0200-0225 na Chr.0225-0250 na Chr.0250-0275 na Chr.0275-0300 na Chr.0300-0325 na Chr.0350-0375 na Chr.0375-0400 na Chr.0400-0425 na Chr.0425-0450 na Chr.0450-0475 na Chr.0475-0500 na Chr.0500-0525 na Chr.0525-0550 na Chr.0550-0575 na Chr.0575-0600 na Chr.0600-0625 na Chr.0625-0650 na Chr.0650-0675 na Chr.0675-0700 na Chr.0700-0725 na Chr.0725-0750 na Chr.0750-0775 na Chr.0775-0800 na Chr.0800-0825 na Chr.0825-0850 na Chr.0850-0875 na Chr.0875-0900 na Chr.0900-0925 na Chr.0925-0950 na Chr.0950-0975 na Chr.0975-1000 na Chr.1000-1025 na Chr.1025-1050 na Chr.1050-1075 na Chr.1075-1100 na Chr.1100-1125 na Chr.1125-1150 na Chr.1150-1175 na Chr.1175-1200 na Chr.1200-1225 na Chr.1225-1250 na Chr.1250-1275 na Chr.1275-1300 na Chr.1300-1325 na Chr.1325-1350 na Chr.1350-1375 na Chr.1375-1400 na Chr.1400-1425 na Chr.1425-1450 na Chr.1450-1475 na Chr.1475-1500 na Chr.1500-1525 na Chr.
Olmeeks portret (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Deze blog begon ruim dertien jaar geleden als een algemeen medium, zeg maar als een soort dagelijkse krant, en veranderde al snel in een blog over de Oudheid. Ik heb Rome, Griekenland, Egypte, Mesopotamië en Perzië altijd gepresenteerd in samenhang met Centraal-Eurazië en met Afrika; de Indusbeschaving en China kregen wat minder aandacht omdat ik er wat minder van weet. En Precolumbiaans Amerika kreeg pas de laatste jaren wat aandacht.

Eén reden daarvoor is dat ik meende dat de Precolumbiaanse culturen niet goed pasten bij de definitie van de oude wereld: de periode waarover we naast het archeologische bewijs al geschreven bronnen hebben, maar niet zó veel bronnen dat we aan echte geschiedvorsing kunnen denken. Eigenlijk, dacht ik, bestaat deze situatie in de Amerika’s alleen in de ruime eeuw vóór Cortés en Pizarro. Maar er zijn veel meer teksten, oudere ook, dan ik dacht. Een tweede reden: voor de op deze blog behandelde materie over de Oude Wereld kan ik zonder de Azteken en Inka’s uit de Nieuwe Wereld. En ook daarover ben ik anders gaan denken.

Lees verder “Precolumbiaanse culturen”

De oudste poëzie

Orfeus improviseert zijn poëzie (Museum van Antiochië)

De woordenschat van de Indo-Europese talen gaat terug op een oertaal die in het huidige Oekraïne gesproken is geweest toen de Steentijd overging in de Bronstijd. Die taal kunnen taalkundigen redelijk goed reconstrueren dankzij goed gefundeerde klankwetten en zo kunnen ze uitspraken doen over de tussenliggende eeuwen. Zeg maar de Bronstijd, de periode waaraan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden vanaf 18 oktober een overzichtstentoonstelling zal wijden. Taal en archeologie gaan hier hand in hand, want een fors deel van de archeologische interpretatie veronderstelt informatie die de taalkundigen hebben geleverd. Omgekeerd helpt de archeologie tegen al te malle, op taal gebaseerde reconstructies van de oude samenlevingen.

Het potentieel van de taalkunde beperkt zich echter niet tot de vaststelling dat er koningen, gezinnen en hemelgoden zijn geweest, of dat er zaken bestonden als magische rituelen en de uitwisseling van geschenken. Taalkundigen kunnen ook uitspraken doen over de vorm van de poëzie. Niet over de inhoud helaas; wat men in de gedichten vertelde, is voorgoed verloren. Maar hoe de dichters te werk gingen, daarover kunnen taalkundigen uitspraken doen. Ze kijken daarvoor naar de poëzie van de Indo-Europese talen, herkennen overeenkomsten en beredeneren hoe die kan zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese oerpoëzie.

Lees verder “De oudste poëzie”

De Frygiërs van koning Midas

Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.

Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.

Lees verder “De Frygiërs van koning Midas”

De Bronstijd: sociale stratificatie

Het zwaard van Jutphaas: teken van sociale stratificatie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Dit najaar begint in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Om die tijd te begrijpen, benutten oudheidkundigen vanouds drie soorten bewijsmateriaal. Om te beginnen waren er de antiquariërs van de zeventiende en achttiende eeuw, die materiële overblijfselen combineerden met etnografische informatie. Voortaan was die vreemd gevormde steen geen uit de hemel gevallen dondersteen maar een projectiel, want op Vuurland gebruikten mensen stenen pijlpunten. In de late achttiende eeuw plaatsten geleerden als Turgot en De Condorcet de gecombineerde informatie in één grote theorie over de menselijke ontwikkeling. Twee soorten bewijsmateriaal waren verenigd en de Prehistorie was ontdekt.

Tegelijkertijd ontsloten taalkundigen de derde bewijscategorie: ze begrepen dat de reconstrueerde Proto-Indo-Europese taal eveneens zicht bood op wat toen nog een vaag gedefinieerde oertijd was. Inmiddels weten we dat de Yamnaya-cultuur (ca.3300-ca.2600 v.Chr.) de drager was van de Proto-Indo-Europese talen en dat zaken die aanwezig waren in én het vierde millennium v.Chr. én de samenlevingen waarin de Indo-Europese talen zijn gesproken, ook aanwezig moeten zijn geweest in de tussenliggende periode. De Bronstijd dus. Ik blogde al eens over de structuur van de eigennamen, over religie en over bezit.

Lees verder “De Bronstijd: sociale stratificatie”

Pamfylië

Korakesion

Pamfylië: eigenlijk iedereen die zich met de Oudheid bezighoudt heeft er wel eens van gehoord, maar het is ook een onbekend gebied. Je rijdt er doorheen als je van oostelijk Turkije langs de kustweg naar het westen gaat. Voor toeristen is Aspendos vermoedelijk de voornaamste plek om te stoppen, wellicht gevolgd door een bezoek aan het museum van Antalya als er in die stad wordt overnacht.

Pamfylië is een kuststrook, gevormd door de afzettingen van drie rivieren: de Kestros, de Eurymedon en de Melas. Ze monden uit in de Middellandse Zee, die hier de Golf van Antalya wordt genoemd. In het westen ligt Lycië, in het noorden liggen nog altijd de dennenbossen van Pisidië en in het oosten gaat Pamfylië over in Cilicië. Het grensfort had een oude Luwische naam waarin de Grieken hun woord Korakesion hoorden, “kraaiennest”. Het is het huidige Alanya.

Lees verder “Pamfylië”

De Edomieten

Koper uit de Araba (Jordan Museum, Amman)

Omdat ik volgend voorjaar een reis naar Jordanië organiseer, leek het me aardig om iets te vertellen over de volken die daar vroeger woonden. Dat waren aanvankelijk de IJzertijdrijkjes van de Ammonieten, Moabieten en Edomieten, ruwweg even oud als Juda en Israël, aan de overzijde van de rivier de Jordaan. Hun woongebieden werden ingelijfd in de rijken van de Assyriërs, Babyloniërs en Perzen. Toen Alexander de Grote laatstgenoemden had onderworpen, kwam de regio in handen van hellenistische heersers; we lezen dan over de Nabateeërs. De Romeinen stichtten er een Dekapolis, een “tienstedenbond”, en uiteindelijk zien we dat de macht verschuift naar de Arabieren, die al voor de komst van de islam dominant zijn. Al die volken zijn al aan bod geweest of komen nog aan bod. Vandaag echter: de Edomieten.

Edom lag direct ten zuiden van de Dode Zee, aan weerszijden van de slenk die we de Araba noemen, de bijbelse Zoutvallei. De naam van het koninkrijk, Edom dus, betekent zoiets als “het rode land” en verwijst vermoedelijk naar de rossige kleuren van het Seir-gebergte. De naam is heel oud, want ze duikt al op in Egyptische teksten. Zo mochten tijdens de regering van koning Merenptah (r.1213-1203) “de Šasu-nomaden uit Edom” het koninkrijk van de Nijl betreden. Deze vermelding is interessant omdat ze bewijst dat er in de Late Bronstijd nomaden heen en weer trokken door de Sinaïwoestijn. Dat biedt een context voor de verhalen over de tocht van Mozes en de Hebreeën. Lees verder “De Edomieten”