Rotsreliëfs aan de Indus

Reliëf langs de Indus

Ooit probeerde ik de Leidse archeologe Marike van Aerde te interviewen. Die doet onderzoek naar handelsnetwerken op de antieke Indische Oceaan. Eén van de redenen waarom die ook interessant kunnen zijn voor de lezers van een blog over de Mediterrane Oudheid, is dat over de Indische Oceaan het Verre Oosten en het Romeinse westen contact maakten. Van Aerde wil dus alles weten over zeeroutes tussen India en de Hoorn van Afrika, kan ook vertellen over nationalistische Chinese claims over mensen langs de Zijderoute en maakte onlangs deze documentaire.

Dat soort dingen. Toen ik haar daarover probeerde te interviewen, overdonderde ze me met een zó enthousiast verhaal dat ik alleen ademloos kon luisteren. Ik kwam thuis met bladzijden vol onbruikbare aantekeningen. Maar zulke enthousiasme, dat is heerlijk.

Lees verder “Rotsreliëfs aan de Indus”

China en Rome

Ruiter uit middeleeuws China (Jin-dynastie; Volkenkundig museum, Leiden)

In het westen lag het Romeinse Rijk, dat in de vijfde eeuw na Chr. nogal wat gebied verloor maar overleefde als het Byzantijnse Rijk. In het oosten lag China, geregeerd door diverse dynastieën, zoals de Han, de Jin, de Sui en de Tang. Daar tussenin lag Perzië, beheerst door eerst de Parthen en daarna de Sassaniden. Iets verderop regeerden de Kushana’s in Baktrië en de Punjab. Op de Centraal-Euraziatische steppe bestond de multi-etnische en meertalige federatie van de Hunnen.

De geschiedenis van deze rijken is complex maar komt erop neer dat ze elkaar in een dynamisch evenwicht hielden. En ze hadden contact, zelfs het westelijkste en het oostelijkste keizerrijk.

Lees verder “China en Rome”

Kelten, Hunnen, Avaren, Saksen

Merovingische mantelgesp (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Er zijn een paar gebieden waar de oudheidkunde momenteel vooruitgang boekt. Eén front is het DNA- en het isotopenonderzoek. De zich daar aftekenende conclusie is, zoals bekend, dat mensen vroeger beweeglijker zijn geweest dan altijd was aangenomen. Omdat mensen hun ideeën meenemen, betekent dit dat de hermeneutische buitengrens is weggevallen. De winst is dus vooral voor classici en andere filologen, die een goudmijn aan informatie erbij hebben gekregen. Dit is een echte revolutie, met een wijzigende negatieve heuristiek.

Langzaam wordt het bewijs ook sterker. We wisten al dat de landbouw en de Indo-Europese talen zijn verspreid door migratie. Tot nu toe was de verdere redenatie min of meer “als in de Prehistorie de mensen mobiel waren, waren ze dat zeker in tijden met betere schepen en betere wegen”. Het was een a fortiori-redenering. Dat is altijd onbevredigend, omdat het veronderstelt dat alle andere factoren dezelfde zijn gebleven. (Om er nog een Latijnse term tegenaan te smijten: een ceteris paribus-redenering.) Het is natuurlijk denkbaar dat in het latere tijdperk factoren een rol hebben gespeeld die we nu nog niet herkennen.

Lees verder “Kelten, Hunnen, Avaren, Saksen”

De niet zo grote volksverhuizingen

De niet zo grote volksverhuizingen

Het landkaartje hierboven circuleert in allerlei varianten op het internet. Het is ook te vinden in allerlei boeken. Steeds opnieuw een akelig grote hoeveelheid pijlen, die allemaal staan voor een akelig grote hoeveelheid barbarenstammen die West-Europa bedreigen. Dat beeld is de akelige erfenis van het akelige negentiende-eeuwse idee, alleen nog verdedigd door de Leidse historicus Rutte, dat het West-Romeinse Rijk ten onder zou zijn gegaan ten gevolge van de Grote Volksverhuizingen.

Niemand gelooft dat nog. Daarvoor hebben serieuze historici, van Pirenne tot Meier, voldoende serieus onderzoek naar gedaan. Maar dit kaartje van de Grote Volksverhuizingen blijft maar terugkomen. Het heeft nu eenmaal het voordeel van de eenvoud. Het klopt echter voor geen meter. Voor geen centimeter zelfs.

Lees verder “De niet zo grote volksverhuizingen”

De Bagdadbatterij

Het potje dat bekendstaat als de Bagdadbatterij (Nationaal Museum van Irak, Bagdad)

En daar was ’ie ineens. Niet eens onopvallend stond het daar in het Nationaal Museum van Irak in Bagdad: een van die voorwerpen die een Von Däniken blij zou hebben gemaakt. De Bagdadbatterij dus.

Het voorwerp is bij de aanleg van een spoorlijn in 1936 gevonden in Khujut Rabu, een van de dorpen op het terrein van de Parthische en Sassanidische hoofdstad Ktesifon. Het gaat om een potje van een centimeter of dertien hoog (zie boven), waarin een koperen kokertje stond, waarin weer een ijzeren staafje zat. Het kokertje is niet waterdicht: als het potje met een vloeistof zou zijn gevuld, zou ook het staafje nat worden. Men had – en heeft – geen idee wat het is. Wel vermoeden we dat het potje stamt uit de Sassanidische tijd, dus tussen pakweg 225 en 650.

Lees verder “De Bagdadbatterij”

Ktesifon

De iwan (schaduwboog) van het Sassanidische paleis

Ik schreef gisteren over de Macedonisch-Grieks-Syrisch-Babylonische stad Seleukeia, die in de tweede eeuw v.Chr. gezelschap kreeg van Ktesifon. Die nieuwe stad was gebouwd door de Parthische koningen die vanaf het midden van de tweede eeuw v.Chr. de macht hadden in het huidige Irak. Er is een theorie – niet per se juist – dat Ktesifon staat op een oudere stad, Opis. Die stad lag namelijk ook in de omgeving van de samenvloeiing van Tigris en Diyala. En net als Ktesifon lag ook Opis aan de weg die Sousa in Elam verbond met het Assyrische kerngebied en de hoofdsteden van Anatolië.

Parthische residentie

De Parthen, afkomstig uit het noordoosten van Iran, hadden een westelijke hoofdstad nodig. Daarom verplaatsten ze het regeringscentrum van Seleukeia naar de tegenoverliggende, oostelijke oever. De nieuwe residentie heette Tyspwn, waar de Grieken Ktesifon van maakten. Vanaf 129 v.Chr. was het de winterresidentie van de Arsakidische dynastie. Het is onduidelijk wanneer Ktesifon de belangrijkste Parthische stad werd, maar wel staat vast dat het een van de grootste steden in de antieke wereld was. Er is weinig van over. Tichelsteen vervalt uiteindelijk tot zand. Dat de bakstenen gebouwen van de Romeinen de tand des tijds beter doorstonden, wil niet zeggen dat ze in het oosten geen rivalen hebben gehad.

Lees verder “Ktesifon”

Een Macedonisch-Babylonische stad: Seleukeia

Beeldje van een rustende vrouw uit Seleukeia (Metropolitan Museum, New York)

In de twee stukjes van gisteren heb ik geschreven over Mesopotamië in de tijd na Alexander de Grote: een stad als Babylon bleef gewoon bestaan, Alexander vernieuwde Charax, en zijn opvolgers stichtten eveneens nieuwe steden. Een daarvan was Seleukeia, gesticht door Seleukos Nikator. De stichtingsdatum is onbekend, maar het moet zijn geweest na de Babylonische Oorlog (311-309 v.Chr.). De jaren 308-304 wijdde Seleukos aan oostelijke veldtochten, zodat de stichting alleen in de tweede helft van 309 en na 304 kan hebben plaatsgevonden.

Stad van het koningschap

In spijkerschriftbronnen heet Seleukeia de hoofdstad van het rijk (al šarruti, “stad van het koningschap”). De stad lag tegenover het oude Opis, niet ver van de plek waar een belangrijk kanaal de Tigris verbond met de Eufraat. De ruïnes van Seleukeia zijn geïdentificeerd in Tell Umar, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Bagdad, en zestig ten noorden van Babylon, dat een deel van zijn inwoners naar de nieuwe stad zag verhuizen.

Lees verder “Een Macedonisch-Babylonische stad: Seleukeia”

Traditionskern

Frankische mantelgesp (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Ik ben al weken bezig met het lezen van de Getica van de Byzantijnse auteur Jordanes, een tekst over de geschiedenis van de Goten waarvan onlangs een mooie en goed ontvangen becommentarieerde vertaling is verschenen van de hand van de Gentse oudheidkundigen Peter Van Nuffelen en Lieve Van Hoof. Er is een hoop over te zeggen, zoals dat de tekst teruggaat op een ouder origineel. Of dat ze begint met verhalen over de vroege geschiedenis van de Goten, die ooit hadden gewoond op “Scandza”, een eiland tegenover de Weichsel, onder leiding van een koning Berig. Er volgen beschrijvingen van migraties naar en langs de Weichsel naar Skythië, waar ze leefden onder een koning Filimer, en vervolgens naar Mysië, Thracië en Dacië. Daarvandaan barstten de Visigoten en Ostrogoten later het Romeinse Rijk binnen.

Oorsprongsgeschiedenis

Dit is een oorsprongsgeschiedenis waarvan we er meer kennen. Een ander voorbeeld is de Geschiedenis van de Franken van Gregorius van Tours. En weer een ander voorbeeld is de Geschiedenis van de Langobarden van Paulus de Diaken. En of het nu gaat om Goten, Franken of Langobarden, ze bewegen allemaal van de randen van de aarde naar de Mediterrane wereld. We hebben diverse van zulke geschiedwerken en ze bevatten allemaal dezelfde curieuze mengeling van bijbelse geschiedenis, citaten uit Griekse en Romeinse auteurs, én eigen tradities van de volken.

Lees verder “Traditionskern”

Celtic Fields

Celtic Fields bij Wekerom (foto Jan van Uffelen)

De naam “Celtic Field” is een eeuw geleden bedacht door Britse archeologen en is eigenlijk een beetje misleidend. Het begrip suggereert immers dat deze akkers door de Kelten zouden zijn gebruikt. In feit zijn ze veel ouder en jonger: zo oud als de Vroege Bronstijd (ca. 1800 v.Chr.) en zo jong als de Vroege Middeleeuwen (ca. 650 na Chr.). Bovendien vinden we Celtic Fields bijna altijd buiten het gebied van de La Tène-cultuur: in België, Denemarken, Engeland, Duitsland, Nederland, Polen, en Zweden. Anders gezegd, in heel Noordwest-Europa maar zelden op een plek waar ze Keltisch spraken. Misschien is het halfvergeten Nederlandse woord “raatakker” beter.

Het gaat om kleine, vierkante of rechthoekige akkers. Een typisch voorbeeld meet ongeveer 35×35 meter, hoewel ze ook iets kleiner (30×30 meter) of iets groter (50×50 meter) kunnen zijn. De grootte doet vermoeden dat elke akker door één familie of misschien zelfs door één individu kon worden bewerkt.

Lees verder “Celtic Fields”

De ketter van Carthago (2)

De vorig jaar verschenen historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas gaat niet en wel over Augustinus, de bisschop van Hippo over wie ik gisteren blogde. De hoofdpersoon heet Spes en wordt aangetrokken, afgestoten, opnieuw aangetrokken, weer afgestoten en tot slot weer aangetrokken door de bisschop, die dus wel centraal staat in het boek. In feite is het samen te vatten als “hoe Spes bleef kijken naar Augustinus”.

Zoals zoveel historische romans moet je het boek niet lezen omdat het allemaal precies klopt. Nog voor de eerste zin gaat het al fout als er een datering anno Domini wordt gebruikt. Er waren in de Oudheid verschillende dateringssystemen, maar deze is pas in de zesde eeuw gemeengoed geworden. Augustinus dateerde bijvoorbeeld gebeurtenissen regelmatig aan de hand van de Romeinse consuls: zo lezen we in De stad van God dat Christus is gestorven toen Lucius Rubellius Geminus en Gaius Fufius Geminus het consulaat bekleedden. Er zijn in De ketter van Carthago wel meer dingen waar ik als historicus door afgeleid raakte, maar ik vind het niet helemaal eerlijk het boek daarop af te rekenen. Een roman die het verleden toont zoals het werkelijk was, zou zo saai zijn als het menselijk leven nu eenmaal is.

Lees verder “De ketter van Carthago (2)”