Voor ik vandaag begin, eerst even een petitie: Cardiff, oude geschiedenis deze maand. De sloop van de oudheidkundige instituten gaat gewoon verder.
***
Hebt u getekend? Dan gaan we nu beginnen.
Gymnosofisten
Een gymnosofist is, letterlijk, een naakte wijze of een wijze naaktloper. Het Griekse woord duikt voor het eerst op in beschrijvingen van de Indische campagne van Alexander de Grote in 327-325 v.Chr. Volgens een door Ploutarchos overgeleverde anekdote ondervraagt hij tien gymnosofisten die allemaal slimme antwoorden geven.nootPloutarchos, Leven van Alexander 64. Het verhaal, dat wat folkloristisch aandoet, is ook bekend van een papyrus in Bern, die dateert uit de eerste eeuw v.Chr.
Een kopje met drie gezichten (Musée du Quai Branly, Parijs)
Het NRC Handelsblad publiceerde dit weekend een interview met Zenab Badawi, auteur van An African History of Africa, dat ik al eerder vermeldde. Ik had in dat interview wat kritischer vragen verwacht. Badawi is namelijk wél geïnteresseerd in het verleden, maar haar boek wemelt van de slordigheden en redenatiefouten. Eén daarvan staat in geschiedenisjargon bekend als naïef positivisme: de aanname dat geschreven bronnen én accuraat én representatief zijn. De meeste mensen herkennen wel het eerste probleem (de bevooroordeeldheid van deze of gene bron), maar niet het tweede (de incompleetheid). Badawi is zo iemand. Ze volgt datgene waarover ze informatie heeft en schept zo een verhaal over het verleden, maar het verhaal is niet representatief voor het geheel. Sta me nog een jargonterm toe: An African History of Africa is, hoe sympathiek ook, niet objectadequaat. Een journalist mag daar best vragen over stellen. Je bent een krant hoor.
De Nok-beschaving
Een van de onderwerpen die Badawi overslaat, is de Nok-beschaving. Voor wie deze blog leest omdat ’ie belangstelling heeft voor de Oudheid: Hanno, de Karthaagse zeeman die een ontdekkingsreis maakte langs de westkust van Afrika, had daarmee contact toen hij de monding van de Niger passeerde. Het is ook een van de gebieden waarover W. F. G. Lacroix zijn mooie boek Africa in Antiquity schreef, waarin hij aantoonde dat de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios betrouwbare informatie weergaf, gebaseerd op de mondelinge tradities waar een zeeman aan de monding van de grote rivieren kennis van kon nemen.
De Nok-cultuur wordt meestal door middel van thermoluminescentie gedateerd tussen 800 v.Chr. en 200 na Chr., met een “aanloopfase” waarover ik het nog zal hebben. Ze is dus even oud als de Nubische culturen van Napata en Meroë. Een respectabele context, zou je zeggen, maar Nok wordt doodgezwegen. En niet alleen door Badawi, hoewel die zegt het “complete verhaal” te willen vertellen.
De Nesaïsche paarden, wat zijn dat nou weer? Allerlei bronnen noemen ze, van de Griekse onderzoeker Herodotos in de vijfde eeuw v.Chr. tot de Babylonische Talmoed in de zevende eeuw na Chr. Eén ding is hierbij duidelijk: de edele dieren kwamen van de zogeheten Nisaïsche vlakte, die zich ergens in het Zagrosgebergte moet hebben bevonden, dus in het westen van het huidige Iran. Dat is het gebied waar ooit de Meden woonden.
Vermoedelijk lag die vlakte ergens langs de grote weg vanuit Mesopotamië via Behistun naar Hamadan (oude Ekbatana), maar zeker is dat niet, aangezien er een anekdote bestaat dat de Romeinse generaal Marcus Antonius, toen hij het Parthische Rijk aanviel, Nesaïsche paarden zag.noot Strabon, Geografie 14.9.4. Dat suggereert een meer noordelijke locatie. De naam helpt ons niet veel verder, want Nisâya is Perzisch voor “bewoond gebied”.
[Dit is het laatste van vijf blogjes over Lycië; het eerste was hier.]
Na 168 v.Chr. was Lycië (landkaart) weliswaar onafhankelijk, maar het behoorde wel tot de Romeinse invloedssfeer. Echt onafhankelijk was het niet. Het kreeg te lijden tijdens de Eerste Mithridische Oorlog (89-85), toen koning Mithridates VI van Pontos alle Romeinse bezittingen in Klein-Azië aanviel. Toen de oorlog voorbij was, reorganiseerde Rome de politieke landkaart. Diverse steden in het binnenland, zoals Oinoanda, hoorden voortaan bij Lycië. Faselis werd weliswaar nog een tijdje bezet door de Cilicische Piraten, maar die vormden geen partij voor de Romeinse generaal Pompeius de Grote, die in 67 v.Chr. het Nabije Oosten opnieuw reorganiseerde.
Een paar jaar later bezocht de Romeinse politicus Cicero Lycië en beschreef het gebied als een “Griekenland”. Dit suggereert dat de bovengenoemde fantastische verhalen inmiddels algemeen werden beschouwd als nauwkeurige beschrijvingen van de begindagen. De Romeinse politicus merkte ook op dat de Lyciërs, als ze aan het einde van hun toespraken zijn, dichtbij het zingen komen.nootCicero, Orator 18.57.
Omdat ik een reis aan het voorbereiden ben naar de Provence, fris ik vandaag mijn kennis eens op van een stad die ik hoop aan te doen: Nîmes, het antieke Nemausus. De stad lag in het zuiden van de vallei van de Rhône, aan de rand van de Cevennen, en was de hoofdstad van de Gallische stam van de Volcae. De stad was vernoemd naar een oude godheid die dus ook Nemausus heette en werd vereerd bij een heilige bron in de stad. De tempel functioneerde ook nog in de Romeinse tijd.
De Romeinen verwierven dit deel van Gallië tijdens de Tweede Punische Oorlog, maar ontwikkelden het gebied pas een kleine eeuw later, rond 118 v.Chr. Toen verhardden en verbeterden ze de aloude weg naar Spanje: wat ooit de Weg van Herakles had geheten, was voortaan de Via Domitia. Volgens de Grieks-Romeinse geograaf Strabon was de weg “makkelijk te bereizen in de zomer, maar in de winter en lente erg modderig door rivierwater”. Dit kan betrekking hebben op allerlei delen van de weg, en ook op de weg bij Nîmes, waar de wateroverlast van de Rhône een geducht probleem vormde.
Oudheidkundigen hebben diverse dateringsmethoden. Terugwerkend: eerst is er de gangbare kalender, wat verder terug hebben we de Romeinse keizers en hellenistische koningen, nog wat dieper zijn er de Mesopotamische sterrenkundige dateringen. Daarnaast biedt de archeologie een stoer werkpaard: de koolstofdatering. Alleen: dat werkpaard heeft soms kuren. Elke datering behoeft kalibratie en daarnaast zijn er reservoireffecten en andere complicaties. En nog een probleem: organisch materiaal mineraliseert, en in sommige regio’s gaat dat erg snel.
Zoals de gebieden ten zuiden van de Sahara. De Romeinen ontmoetten kooplieden uit die regio, maar wisten daar – als we de route langs de Nijl even buiten beschouwing laten – maar weinig van. Het enige wat de klassieke auteurs ons aan informatie hebben nagelaten, zijn geruchten over goudbewakende gorgonen en amazones: een echo van de situatie in de Bambouk. Omdat archeologen dus dateringsmoeilijkheden hebben, is er, vergeleken met bijvoorbeeld de Maghreb, een gat in onze kennis. Dit is een van de redenen dat subsaharaal Afrika een beetje wordt genegeerd. Zelfs Zenab Badawi, die in haar recente An African History of Africalicht wil werpen op dit werelddeel, besteedt er geen aandacht aan.
Deze blog begon ruim dertien jaar geleden als een algemeen medium, zeg maar als een soort dagelijkse krant, en veranderde al snel in een blog over de Oudheid. Ik heb Rome, Griekenland, Egypte, Mesopotamië en Perzië altijd gepresenteerd in samenhang met Centraal-Eurazië en met Afrika; de Indusbeschaving en China kregen wat minder aandacht omdat ik er wat minder van weet. En Precolumbiaans Amerika kreeg pas de laatste jaren wat aandacht.
Eén reden daarvoor is dat ik meende dat de Precolumbiaanse culturen niet goed pasten bij de definitie van de oude wereld: de periode waarover we naast het archeologische bewijs al geschreven bronnen hebben, maar niet zó veel bronnen dat we aan echte geschiedvorsing kunnen denken. Eigenlijk, dacht ik, bestaat deze situatie in de Amerika’s alleen in de ruime eeuw vóór Cortés en Pizarro. Maar er zijn veel meer teksten, oudere ook, dan ik dacht. Een tweede reden: voor de op deze blog behandelde materie over de Oude Wereld kan ik zonder de Azteken en Inka’s uit de Nieuwe Wereld. En ook daarover ben ik anders gaan denken.
Een Iberisch-Romeinse dame (Archeologisch Museum, Córdoba)
Toen de Romeinse troepen rond 208 v.Chr. aankwamen in het huidige Andalusië, betraden ze een wereld waarop niets hun had voorbereid. Er waren steden en heuvelforten, er waren metaalmijnen, er waren uitgestrekte akkers en boomgaarden, en langs de kust lagen havensteden, waar kooplieden aankwamen en vertrokken naar alle plaatsen langs de Middellandse Zee. Ergens achteraan, niet ver van de monding van de Guadalquivir, lag Cádiz, waar schepen aanlegden met goud uit de Bambouk en tin uit Armorica. De Romeinen zouden dit gebied, dat ze eerst Hispania Ulterior (“het verre Spanje”) en later Baetica noemden, nooit meer opgeven.
Baetica is vernoemd naar de rivier de Baetis, die wij Guadalquivir noemen. Dat is een arabisme: het betekent Grote Rivier. Maar ook Baetis was al een semitische naam. Net als Guad is Baetis afgeleid van een woord dat rivier betekent, denk maar aan wadi. Het eerdere semitisme illustreert de vroege aanwezigheid van Fenicische kolonisten en Karthaagse heersers. Ook een naam als Málaga, “zoutstad”, is Fenicisch, terwijl het eerste element in Córdobahet Fenicische woord qrt weergeeft, “stad”. De Feniciërs dreven al sinds de negende eeuw v.Chr. handel met een lokaal IJzertijd-koninkrijk, dat we gewoonlijk Tartessosnoemen. Deze naam leeft voort in die van het volk dat woonde op de vruchtbare vlakte bezuiden de Guadalquivir, de Turdetaniërs.
“Laten we niet op farizeïsche wijze uitleg willen geven aan alles achter elke komma”: met die woorden probeerde minister van Justitie Piet Hein Donner ooit een discussie kort te sluiten die zijns inziens dreigde te verzanden in detailkwesties (bron). Hij was niet de enige die de farizeeën, de erflaters van het hedendaagse jodendom, negatief typeerde. Een liedje uit de Tweede Wereldoorlog typeerde NSB-ers als farizeeërs die hun vaderland verkochten voor zes centen. De online-versie van het Van Dale-woordenboek omschrijft de farizeeër als “schijnheilige, huichelaar”.
Er staat niet bij dat het een scheldwoord is. Maar dat is het wel. En we weten zelfs wie het die betekenis heeft gegeven. Daarvoor moeten we bijna tweeduizend jaar terug.
Zulke woorden zijn afgeleid van de naam van de stam Juda, die in de IJzertijd leefde in de omgeving van de stad Jeruzalem. Koning David voegde die stad, die niet bij een van de twaalf Bijbelse stammen behoorde, toe aan zijn koninkrijk.noot2 Samuël 5.6-9. Na het uiteenvallen van dat rijk, ergens rond 930 v.Chr., bleef Jeruzalem de hoofdstad van het zuidelijke koninkrijk. Dat bestond uit twee voormalige stammen, Juda en Benjamin, en omdat die laatste nogal klein was, heette het koninkrijkje dat vanuit Jeruzalem werd bestuurd, naar de grootste stam: Juda.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.